beiaarden.nl--andrelehr.nl

Over carillons, gieterijen, musea,campanologie, enz.

-->

W

Henricus Waghevens
De klokkengieter Henricus Waghevens werd tussen 1420-1425 geboren. Hij is de stamvader van een belangrijk klokkengietersgeslacht te Mechelen dat aldaar tot 1570 klokken heeft gegoten. Henricus begon met het gieten van klokken op zijn laatst in 1458; zijn laatst bekende klok dateert uit 1481. Zijn werk munt uit door zorgvuldigheid. Hij goot somtijds ook kleine voorslagen. Hij overleed te Mechelen omstreeks 1483. Van zijn zonen uit twee huwelijken werden Simon, Georgius I en Peter eveneens klokkengieter.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevens, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Simon Waghevens
Simon was de oudste zoon van Henricus. Geboren te Mechelen omstreeks 1449 blijkt hij volgens de archivalia in elk geval rond 1485 het beroep van klokkengieter uit te oefenen. Maar dat lijkt gezien zijn leeftijd op dat moment erg onwaarschijnlijk. Meer voor de hand liggend is dat toen hij het huis en de gieterij van zijn vader Henricus in bezit kreeg, hij daarom als klokkengieter werd aangeduid. Hij is te Mechelen gestorven ná 1526. In genoemd jaar is nog een klok van hem bekend. Zijn oudst bekende klok dateert uit 1481. In 1491 goot hij zes zware voorslagklok voor Leuven. Een bekende klok van hem is de Maria uit 1498 in beiaard van Mechelen. Simon was dan ook een productief klokkengieter. Maar hij had geen mannelijk nakomelingen die het beroep van klokkengieter zouden voortzetten. Mogelijk was dat de oorzaak dat hij al in 1512 de gieterij aan zijn halfbroer Georgius I verkocht.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Peter Waghevens
Peter was de oudste zoon uit het tweede huwelijk van Henricus. Hij werd te Mechelen geboren, was in 1483 nog minderjarig en stierf aldaar in 1537. Hij was getrouwd met Cecilia, dochter van Mechelse klokkengieter Jan Coppen. Langs die weg vestigde hij zich in de klokkengieterij van zijn schoonvader. De gieterij verwierf hij tenslotte in eigendom in 1505. Aldaar gingen de zaken voortreffelijk. Talloze klokken goot hij tussen 1498 en 1515. Ook voorslagen behoorden tot zijn metier, zoals in 1515 een uurklok plus een reeks beiaardklokken voor Middelburg. Daarnaast handelde hij op talloze plaatsen in Mechelen in onroerend goed. Een van die huizen kreeg zijn zoon Jacob in 1528 om het voorvaderlijk beroep uit te oefenen. Hij had vele kinderen waarvan er drie klokkengieter werden. Het waren Georgius II die jong stierf, Cornelius die naar Antwerpen trok en genoemde Jacob die stellig de belangrijkste van het drietal was.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Georgius I Waghevens
Joris of Georgius was een zoon, evenals zijn broer Peter, uit het tweede huwelijk van zijn vader Henricus. Het werd te Mechelen geboren, was in 1483 nog minderjarig en is aldaar in 1524 gestorven. Hij is drie maal gehuwd geweest. In 1512 nam hij de gieterij van zijn halfbroer Simon over, wellicht omdat deze geen opvolgers had. Het was een productief klokkengieter van wie vanaf 1497 tot aan zijn dood klokken bekend zijn. Een daarvan werd in 1515 voor de Sint Romboutstoren te Mechelen gegoten. Het is een buitengewoon fraaie klok. Twee van zijn zonen en met name Medardus en Jan zouden ook klokkengieter worden. Bij zijn overlijden was Jan nog minderjarig.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Georgius II Waghevens
Georgius II was de zoon van Peter I. Hij is geboren omstreeks 1495 te Mechelen en aldaar gestorven in 1529. Georgius II is als zelfstandig klokkengieter nauwelijks uit de verf gekomen. Van hem kennen wij slechts enkele klokken en met name uit de periode 1523-1527. Voor het overige was hij de assistent van zijn oom Georgius I.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Cornelis Waghevens
Cornelis was de zoon van Peter I Waghevens. Omstreeks 1530 vertrok hij uit Mechelen en vestigde hij zich te Antwerpen alwaar hij een prominent burger werd. In 1544 werkte hij echter samen met zijn broer Jacob te Mechelen aan de voorslag voor Ieper. Klokken van hem vindt men tussen 1530 en 1544. Ze zijn dikwijls rijk versierd. Cornelis was de enige gieter uit het geslacht Waghevens die ook geschut maakte. In 1543 leverde hij aan Antwerpen zeven bronzen kanonnen die de namen van de planeten kregen. Cornelis Waghevens is ná 1544 te Antwerpen gestorven.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Jacob Waghevens
Jacob Waghevens was de zoon van Peter I. Hij moet te Mechelen geboren zijn vóór 1500 en aldaar gestorven in 1574. Tot 1528 werkte hij bij zijn vader, daarna elders in Mechelen zelfstandig dankzij een huis dat hij van zijn vader had gekregen.. Klokken van hem kennen wij tussen 1530 en 1570, een bijzonder lange periode derhalve. Jacob is vooral bekend door de vele voorslagen die hij heeft gemaakt, meer dan enig andere gieter Waghevens, zoals voor Gent, Doornik, Ieper, Bergen, Oudenaarde, Mechelen en Amsterdam. Daarbij zij opgemerkt dat Cornelis met Jacob heeft samengewerkt bij de voorslag voor Ieper in 1544 en de gieter Adriaan Steylaert bij het spel voor Amsterdam in 1566. was overigens Via zijn moeder was Jacob Waghevens een oudoom van deze Steylaert.
In genoemde steden ging het bijna altijd om diatonische beiaarden over twee octaven met de toevoeging van de fis en bes. Het was in die tijd een geheel nieuw fenomeen. Kennelijk had hij daarin een zekere reputatie opgebouwd. Toch zouden ze later weer in de smeltkroes verdwijnen toen de Hemony’s in de zeventiende eeuw als eersten in de geschiedenis werkelijk zuiver klinkende beiaarden konden maken. Jacob Waghevens genoot ook veel respect van zijn collega’s, reden waarom hij enkele malen tot gezworene van het smedengilde waartoe ook de klokkengieters behoorden, werd benoemd. Jacob was de laatste klokkengieter die de naam Waghevens droeg.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Medardus Waghevens
Medardus werd Mechelen als zoon van Georgius I omstreeks 1490/95 uit diens eerste huwelijk geboren. Hij stierf aldaar in 1557. Zijn oudst bekende klok dateert uit 1515. Tot aan de dood van zijn vader in 1524 leidde hij een rondreizend bestaan. Maar in genoemd jaar keerde hij terug naar Mechelen. Tot aan zijn dood in 1557 zou hij klokken gieten. Een kleine dertig zijn nog altijd bekend. In tegenstelling tot zijn broer Jacob zou hij slechts een enkele voorslag gieten, zoals in 1530 voor Zoutleeuw. In 1547 werd hij in het Mechelse smedengilde waartoe ook de klokkengieters behoorden, als scheidsman gekozen.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Jan Waghevens
Jan Waghevens werd omstreeks 1504 te Mechelen geboren als zoon van Georgius I. Aldaar stierf hij ná 1566. Van hem zijn uit de periode 1534-1566 betrekkelijk weinig klokken bekend. Hij heeft zich ook met beiaarden bezig gehouden zoals in 1545 voor Kortrijk.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieters (Mechelen, 1998).

Gieles Waghevens
Wij kennen hem slechts van een klok uit 1514/15 voor de voorslag van Mechelen. Een relatie met de hiervoor genoemd leden van het geslacht Waghevens blijkt vooralsnog niet te leggen.
bronnen:
G. van Doorslaer, Les Waghevcns, fondeurs de cloches. In: Annales de l’Académie d’Archéologie de Belgique, tome 60, 1908, p.301-532.
Marc & Karine van Bets-Decoster, De Mechelse klokkengieter (Mechelen, 1998).

Nicolaas Warneus
Van hem kennen wij een klok uit 1481 te Firdgum in Friesland.

Willem Wegewaert de Oudere
Willem Wegewaert, afkomstig van Münster, vestigde zich in 1544 te Deventer, samen met zijn jongere broer Wolter. Van de laatste werd in 1554, toen hij het burgerschap van Deventer kreeg, als beroep potgieter genoemd. Van hem zijn dan ook geen klokken bekend. Beiden waren waarschijnlijk zonen van Kylianus Wegewaert te Münster. Deze Kylianus was getrouwd met een dochter van Wolter Westerhues, eveneens klokkengieter te Münster. Willem op zijn beurt was in zijn tweede huwelijk getrouwd met Mense Haityseren, vermoedelijk de dochter van de Zuphense klokkengieter Segewinus Haityseren.
Zoals de archivalia aantonen, beschouwde de stad Willem Wegewaert in de eerste plaats als een geschutgieter en bussenmeester, als zodanig belast met de zorg voor de stedelijke verdedigingsmiddelen in algemene zin, zoals geschut, buskruit, opslagplaatsen, verdedigingswallen enz. Ook moest hij bij feestelijke gebeurtenissen de vreugdeschoten verzorgen.
Zijn oudst bekende klok dateert uit 1547. Niet lang daarna wordt hij in officiële stukken behalve geschutgieter en bussenmeester ook klokkengieter genoemd. De laatst bekende klok is van 1601. Het jaar daarop is hij overleden. En bepaald niet jong meer, want in 1598 lezen wij dat hij gezien zijn leeftijd niet meer in staat was zware kanonnen te bedienen. Vandaar dat hem werd toegestaan dit aan zijn knechten over te laten. Na zijn dood vinden wij nog een klok uit 1603 die door zijn kinderen gesigneerd werd. Opgemerkt moet worden dat zijn broer Wolter ook gieter was, doch nooit als zelfstandig klokkengieter werkzaam is geweest.
Uit Willems eerste huwelijk werden twee dochters geboren. Dochter Willemke huwde in 1571 te Deventer met Herman Maes. Mogelijk was Ide Maes, echtgenote van de Enkhuizer klokkengieter Hendrick Nieman, een dochter van dat echtpaar. Trijne, een andere dochter, was gehuwd met een zekere Koster. Uit dit huwelijk werd Gheraert Koster geboren, de latere klokkengieter te Amsterdam. 
Uit Willems tweede huwelijk werden drie dochters geboren. Dochter Engele trouwde met haar neef Coenraad Wilkes, klokkengieter te Den Haag. Geertruidt trouwde met Arent Jansz. van der Put die als gieter te Rotterdam en Amsterdam werkzaam zou zijn.
bron:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.

Willem Wegewaert de Jongere
Willem Wegewaert was de zoon uit het derde huwelijk van de Deventer potgieter Wolter Wegewaert. Wolter was de broer van Willem Wegewaert de Oudere. Willem jr. moest derhalve oom zeggen tegen Willem sr.
Willem vestigde zich na een verblijf te ’s-Gravenhage in 1606 te Gouda. Hij kreeg aldaar de beschikking over een gieterij waarin zijn broer Henrick de Oudere klokken voor de stad had gegoten. Hij vertrok voorgoed naar Den Haag in 1614 of 1615. Hij hertrouwde aldaar in 1615 met Engeltje Anthonis Wilkes, dochter van landsgeschutgieter Coenraet Anthonis Wilkes die op zijn beurt gehuwd was met een nicht van Willem de Jongere. 
Willem de Jongere volgde zijn schoonvader in 1616 op als landsgeschutgieter. Hij overleed in 1637. Zijn zonen uit het tweede huwelijk, Coenraet en Wouter, werden zijn opvolgers in Den Haag.
bron:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.

Henrick Wegewaert de Oudere
Henrick Wegewaert de Oudere was de oudste zoon uit het tweede huwelijk van Wolter Wegewaert die een broer was van Willem Wegewaert de Oudere. In 1596 kreeg Henrick te Kampen een behuizing ten behoeve van een gieterij tot zijn beschikking. Hij was een productief gieter want nog steeds is er een zestigtal klokken van hem bekend die voor het merendeel in Kampen zelf werden gegoten. Een uitzondering vormden de vijf luidklokken voor Gouda die aldaar werden gegoten. Maar dat lag ook voor de hand want de zwaarste daarvan woog 7500 pond. 
Henrick Wegewaert waagde zich ook aan het gieten van een carillon en met name in 1613 met een spel van twintig klokken voor Deventer. Evenals alle andere beiaarden uit die tijd en van welke gieter dan ook was het resultaat weinig bevredigend. Nauwelijks dertig jaar later werd het spel door François en Pieter Hemony hergoten.
In zijn latere levensjaren maakte Henrick regelmatig deel uit van het College van Schepenen en Raden te Kampen. Vanuit die positie vervulde hij somtijds lucratieve stedelijke functies. Henrick Wegewaert stierf te Kampen in 1622.
bron:
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieter. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), 
p.161-171.

Kylianus Wegewaert
Kylianus Wegewaert was de zoon van Henrick de Oudere maar kon nauwelijks in diens schaduw staan. Toen Willem in 1622 stierf, was Kylianus nog minderjarig. Nochtans ging zijn moeder met de klokkengieterij van haar man door. De oudst bekende klokken van Kylianus dateren van 1626 voor de Buitenkerk van zijn woonplaats. Tien jaar later goot hij waarschijnlijk zijn laatste klokken. Nog jong stierf hij in 1640. Hij liet slechts een klein oeuvre na.
bron:
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieter. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), 
p.171-177.

Henrick Wegewaert de Jongere
Henrick Woltersz. Wegewaert de Jongere , zoon uit het derde huwelijk van Wolter Wegewaert met Margriet Willemsd. Mudders. Henrick de Jongere huwt met Anneke Liggers uit Gescher (Westfalen). Aanvankelijk was hij potgieter te Deventer, later ook klokkengieter. Zijn halfbroer Henrick de Oudere goot in 1613 een klokkenspel voor Deventer. Mogelijk stond dat aan de basis van zijn overstap van potgieter naar klokkengieter. Van 1614 tot in 1621 werkte hij te Deventer en van 1621 tot 1624, zijn sterfjaar, te Enkhuizen. Aldaar nam hij de leiding van de geschutgieterij van Henrick Nieman op zich. 
Opschriften op enkele klokken geven soms aanleiding tot persoonsverwisseling met Henrick Wegewaert de Oudere. Deze werd geboren uit het tweede huwelijk van Wolter Wegewaert met Roeloff Boestinck. Hij was als gieter uitsluitend te Kampen werkzaam.
bron:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.

Wouter Wegewaert
Wouter Wegewaert, zoon van Willem Wegewaert de Jongere en in het tweede huwelijk Engeltje Anthonis Wilkes. Neemt samen met zijn oudere broer Coenraet na het overlijden van hun vader Willem Wegewaert de leiding van ’s landsgeschutgieterij te ’s-Gravenhage op zich. Vervolgens neemt hij in 1651 de leiding van de gieterij van Coenradus Splinter te Enkhuizen over. In 1653 overlijdt hij. Er zijn geen klokken of vijzels van Wouter Wegewaert bekend, ook niet uit de periode van samenwerking met zijn broer Coenraet.
bron:
S.Spoelstra e.a., Voorlopige inventaris van de werkstukken van de Enkhuizer klokkengieters (manuscript uit 1981 aanwezig in de bibliotheek van het Nationaal Beiaardmuseum).

Wolter Westerhues
Willem Wegewaert de Oudere en zijn broer waren waarschijnlijk zonen van Kylianus Wegewaert te Münster. Deze Kylianus was getrouwd met een dochter van Wolter Westerhues, eveneens klokkengieter te Münster. Hij was geboren omstreeks 1475 en stierf te Münster omstreeks 1542.

M. van Weyde
Deze verder onbekende klokkengieter goot in 1693 een klok voor Bruinisse.

Gillis Wibrants
Deze klokkengieter uit Amsterdam kennen wij van twee klokken uit 1701 en 1702.

Johann Wickraht
Van deze klokkengieter uit Keulen hebben wij een klok uit 1681 te Laar in Limburg. Zijn laatst bekende klok in Duitsland dateert van 1703. Eigenlijk waren Johann Wickraht en zijn broer Laurentius geschutgieter. Vandaar dat slechts enkele klokken van Johann bekend zijn; van Laurentius zelfs geen enkele.
bron:
Karl Walter, Glockenkunde (Regensburg & Rom, 1913), p.907-908.

J.B. Wierinck
Hij goot in 1760 een klok voor Oud-Gastel.

Arnold de Wilde, alias Wilden
Deze klokkengieter uit Venlo had in 1465 samen met zijn schoonzoon Jan van Venlo de Jongere een conflict met een andere Venlose gieter Johan Klockengieter. Deze had in strijd met de afspraak in een bepaald gebied toch klokken verkocht. Klokken van Arnold de Wilde zijn overigens niet bekend.
Wij kennen deze gieter bovendien door de strijd tussen Arnold van Egmond, hertog van Gelre, en zijn zoon Adolf. Die strijd duurde van 1458-1472. In 1468 trok Arnold de Wilde met de halve Venlose burgerij naar Kleef om daar te moorden en te branden. Hertog Jan Van Kleef had namelijk de zijde van de vader gekozen. Ook Johan Klockengieter en Jan van Venlo de Jongere waren bij het conflict betrokken.
bronnen:
Martin Jansen, Jan van Venlo, de klokkengieter. In: Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis, Deel 1, 1885, p.35-43.
Leo Giesen, De klokken van Beesel. In: Maas- en Swalmdal, jaarboek 16, 1996, p.18-46.

Goswinus de Wilde alias Wilden
Klokkengieter te Venlo, zwager van Jan van Venlo de Jongere. Van hem zijn in Duitsland enkele klokken bekend tussen 1480-1485.
bron:
Jörg Poetgen, Diener zweier Herren. Die spätmittelalterliche Glockengießerwerkstatt in Venlo. In: Annalen des historischen Vereins für den Niederrhein, Heft 196, 1994, p.31-62.

Wilhelmus de Wilde, alias Wilden
Was deze Venlose klokkengieter een zoon van Goswinus? Er zijn twee klokken van hem bekend, namelijk uit 1500 en 1520.

Wilhelmus
In Denekamp hangt een klok uit 1436 die door een zekere Wilhelm gegoten is. Het is de oudst bekende klok van deze gieter. Voorts zijn er bekend uit periode 1437-1444. Is hij wellicht dezelfde als Willem van Wou?
bronnen:
W.H. Dingeldein, De klokken van Denekamp en de klokgieter Wolter Westerhus (Zwolle, 1947).
Guus Goorhuis, Der spätmittelalterliche Gießer Wilhelm und seine Glocken in Bad Bentheim und Denekamp. In: Bentheimer Jahrbuch 1989, 181-188.

Coenraet Anthonis Wilkes
Uit het huwelijk van Willem Wegewaert de Oudere met Mense Haityseren was het de dochter Engele die trouwde met Coenraet Anthonis Wilkes, afkomstig van Lingen (Westfalen). Ook staat hij bekend onder de naam Coenraet Anthonisz. Overigens, hij zou ook een neef van Willem Wegewaert de Oudere zijn geweest, hetgeen doet veronderstellen dat hij bij zijn oom in Deventer het vak had geleerd. Dat betekent bovendien dat Wilkes met zijn nicht was getrouwd.
Coenraet Wilkes stond van 1591 tot 1616 aan het hoofd van de landsgeschutgieterij te Den Haag. In 1615 kreeg hij van de Staten Generaal de opdracht om toezicht te houden op de nieuwe, nog onervaren meesters in de gieterijen te Rotterdam en Enkhuizen. Hij stierf ná 1622.
bron:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.

Anthony Wilkes
Anthony Wilkes is een zoon van Kiliaen Wilkes en Wolbrecht van Hengolt. Een overeenkomst met Coenraed Splinter in 1651 om van hem de gieterij te Enkhuizen over te nemen, wordt nog datzelfde jaar met wederzijds goedvinden opgeheven. Na overlijden van Coenraed Splinter komt de Enkhuizer gieterij in handen van Wouter Wegewaert. In 1653 nog in Den Haag werkzaam, koopt Anthony Wilkes van Aeltien Gerrits, weduwe van Hendrick Vestrinck, de gieterij te Kampen. In de tweede helft van 1653 of aanvang 1654 draagt hij deze over aan Wolter Gerritsz. Pott, om in Enkhuizen de gieterij van de inmiddels overleden Wouter Wegewaert over te nemen. De in 1653 te Enkhuizen overleden Anthony Wilkes was gehuwd met Wolterken Wegewaert, dochter van Henrick Wegewaert de Jongere en Anneke Liggers. Anna, kind uit zijn eerste huwelijk, trouwde in 1667 met de klokkengieter Laurens Brinckhuysen.
Na de dood van haar man heeft de weduwe nog enige tijd de zaken voortgezet, onder andere met Kiliaan Meyer in 1663-1665. Uit die periode zijn geen klokken bekend. Daarna werkte ze van 1665-1667 met Laurens Brinckhuyzen. Wolterken Wegewaert stierf in 1685.
bronnen:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.
S.Spoelstra e.a., Voorlopige inventaris van de werkstukken van de Enkhuizer klokkengieters (manuscript uit 1981 aanwezig in de bibliotheek van het Nationaal Beiaardmuseum).

Willem Witlockx
Deze Antwerpse gieter was geboortig uit de Meierij nabij Den Bosch. Reeds in 1679 blijkt hij te Antwerpen te wonen, zij het niet als klokkengieter doch als bouwer van diverse muziekinstrumenten en draaier van rariteiten in hoorn en ivoor. Zijn eerste contacten met klokken, althans voor zover dat nu nog nagegaan kan worden, dateren uit 1705. Hij hielp toen Alexius Jullien bij het stemmen van diens beiaard voor Lier. Het heeft er alle schijn van dat Witlockx bij Jullien ook het vak van klokkengieter geleerd heeft. Maar pas in 1711 zou hij zijn eerste beiaard kunnen maken en met name voor Ostende. In 1714 zou hij in een ernstige concurrentiestrijd met de Nederlandse gieters Noorden en De Grave verwikkeld raken. De inzet was wie de nieuwe beiaard voor Brussel mocht maken. Witlockx meende uitstekend pijlen op zijn boog te hebben, want niet alleen was hij inwoner van het land doch bovendien had hij door veel studie een stemming uitgevonden waarmee veel ruimer gemoduleerd kon worden dan met de gebruikelijke middentoonstemming. Maar de strijd bleef onbeslist want Brussel ging niet tot bestelling over.
In 1718 goot Witlockx voor Brugge de zogenoemde H.Bloedklok, een klok die tijdens de H. Bloedprocessie geluid werd. Zowel over het gewicht als de kwaliteit ontstond een ernstig meningsverschil dat tot voor de rechter werd uitgevochten. Maar Brugge werd in het ongelijk gesteld en moest de klok houden. Maar in 1741 ging ze bij de brand van de Halletoren ten onder.
Witlockx heeft na Ostende meerdere beiaarden gemaakt, zoals bijvoorbeeld in 1723 voor Breda. In datzelfde jaar werd hij tot directeur van de Koninklijke Kanonnengieterij te Mechelen benoemd, ofschoon de Antwerpse gieterij bij Witlockx toch op de eerste plaats kwam. Een hoogtepunt was ongetwijfeld de zeer zware beiaard die hij in 1730 goot voor het Koninklijk Paleis te Mafra in Portugal. Hij stierf in 1733 maar had geen opvolger. Wel zou de klokkengieter Joris Dumery zich enkele jaren later in Antwerpen vestigen. Maar deze had zijn opleiding vrijwel zeker bij Alexius Jullien te Lier genoten.
bron:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.224-231.

Willem van Wou (Nijmegen)
Willem van Wou, de bussenmeester, werd in 1436 burger van Nijmegen. Hij overleed in of vóór 1461. Van hem zijn klokken bekend uit 1447 en 1452 met de mogelijkheid dat de klok van Denekamp uit 1436 die door een zekere Wilhelmus werd gegoten eveneens van zijn hand is. Wellicht was hij de vader van Geert van Wou.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Geert van Wou
Geert van Wou is de belangrijkste luidklokkengieter die Nederland en West-Duitsland gekend heeft. Hij werd omstreeks 1450 te Nijmegen geboren, waarschijnlijk als zoon van de aldaar werkende klokkengieter Willem van Wou. Hij werd in 1474 als poorter van Den Bosch ingeschreven. In het jaar daarop sloot hij een overeenkomst met Luitgart, de echtgenote van de een jaar eerder overleden klokkengieter Willem Hoernken. Vermoedelijk was hij bij hem en diens broer Jan in dienst geweest. De opzet was waarschijnlijk om de gieterij van Hoernken voort te zetten. Maar dat lijkt mislukt omdat Geert van Wou al in 1477 een tijdelijk compagnonschap sloot met een andere Bossche gieter Gobel Moer. Met hem goot hij een grote klok voor de Eusebiuskerk van Arnhem. Zij signeerden daarbij heel opvallend, want enerzijds heet het dat de klok door Geert van Wou en Gobel Moer werd gegoten, maar ook dat Gobel Moer en Geert van Wou de klok hebben gegoten. Hij heeft er alle schijn van dat Geert van Wou daarna geheel zelfstandig is gaan werken. Zo goot hij in 1479 een kleine voorslag voor de Domtoren van Utrecht. In het jaar daarop zou hij in Kampen werk aannemen. Hij heeft zich daar toen gelijktijdig gevestigd. In die stad overleed hij in 1527.
De werkzaamheden van Geert van Wou als klokkengieter worden bij uitstek gekenmerkt door het gieten van zware geluien. Die van de Domtoren te Utrecht staat daar model voor. Dat gelui en oorspronkelijk ook beierwerk bestaat uit dertien klokken waarvan de zwaarste niet minder dan 8100 kg weegt. Nadat in de zeventiende eeuw de kleinste zeven klokken waren omgesmolten, werd het oorspronkelijk gelui in 1982 met nieuw gegoten klokken in de stijl van Van Wou weer in ere hersteld. Dergelijke zware geluien goot hij ook voor meerdere steden in Duitsland, zoals voor Hamburg, Osnabrück en Erfurt. Voor laatstgenoemde plaats maakte hij in 1497 de beroemde Gloriosa die met haar gewicht van ongeveer 11.400 kg als een wonder van klokkengietkunst mag gelden! Die klok getuigt als geen ander hoe uiterst bekwaam Van Wou als gieter was, hoe hij in staat was een goed klokprofiel te kiezen en tenslotte welke fraaie vormgeving hij voor de opschriften en versieringen koos. Toch ondervond de gieter in 1505 te Utrecht na voltooiing van het gelui aldaar ernstige kritiek van het Domkapittel. Maar achteraf bezien lijkt dat niet terecht.
Deze opmerkelijke activiteiten liepen na 1507 min of meer teneinde. Ook concentreerde de gieter zich toen meer op Nederland en werkte hij soms samen met een andere gieter. Speelde zijn leeftijd wellicht een rol? Zeker is dat het aantal zelfstandig gegoten klokken tot zijn dood in 1527 sterk terug liep en hij toen talrijke klokken goot samen met Johannes Schonenborch. Onder andere was dit het geval met het zware gelui voor Lübeck in 1507. Niettemin zien wij een verhoogd aantal door Geert van Wou gesigneerde klokken in de periode 1523-1527. Maar waarschijnlijk zijn die van de hand van zijn gelijknamige zoon.
Naast klokken goot Geert van Wou ook geschut. Dat bracht hem een enkele maal in moeilijkheden. Het lijkt erop dat hij voor iedereen die dat wenste geschut vervaardigde. Mogelijk is dat de oorzaak. Anderzijds was hij een enkele maal ook politiek geëngageerd, zoals in Groningen waar hij zelfs geld aan die stad leende. Maar zijn bekendheid geniet hij toch door zijn luidklokken. Volgens eigen zeggen heeft Van Wou vele leerlingen gehad. Onder hen bevindt zich Segewinus Haitysern.
bron:
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967).

Geert van Wou de Jongere en Jan ter Steghe
Van de vier zonen van Geert van Wou werd de jongste Geert ook klokkengieter, hoewel niet op het niveau van zijn vader. Dat werd mede veroorzaakt door de minder gunstige economische omstandigheden. Hij had een vaste compagnon in de persoon van Jan Steghe ofschoon beiden ook wel individueel werkten. Over Jan ter Steghe is heel weinig bekend, in feite alleen maar dat hij in 1553 te Kampen overleden is.
Van Geert van Wou kennen wij klokken uit de periode 1529-1550, van Jan ter Steghe uit 1528-1545 en van de beiden samen tussen 1528 en 1542. Mogelijk is toen de samenwerking beëindigd omdat in 1540 en de daarop volgende jaren er een slechte verhouding tussen beide gieters bestond, waarbij het zelfs tot een proces kwam. Geert heeft Kampen in 1543 zelfs verlaten, ging naar het noorden en stierf tenslotte in 1551 te Emden. Na zijn vertrek werd de gieterij door Willem en Jasper van Wou, broers van Geert, overgenomen. Maar klokken hebben zich niet gegoten.
Van hun klokkenleveringen kunnen genoemd worden een spel van tien klokken in 1528 voor Hoorn. Van Wou en Ter Steghe maakten derhalve ook voorslagen. Het was geheel in de geest van de tijd, want beiaarden waren toen erg in opkomst. Ook leverden zij in 1538 zes luidklokken voor Delft. Maar de zwaarste, Jezus genaamd, scheurde binnen het jaar zodat de gieters hun honorarium nooit volledig ontvangen hebben.
Geert van Wou had waarschijnlijk geen zonen. Maar dochter Immeke trouwde met Peter Albertsz. Vriese of Vrese. Deze op zijn beurt was compagnon van de verder onbekende klokkengieter Aelt Boister. Van hen is één klok uit 1569 bekend.
bron:
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), p.133-154.

Willem van Wou (Utrecht) en zijn zoon Henricus
Willem van Wou wordt te Utrecht omstreeks 1504 vermeld toen hij zijn smeltoven moest verplaatsen. Aldaar zou hij klokken gieten. Hij lijkt waarschijnlijk dat de gieter in dat jaar naar Utrecht is verhuisd. Wellicht woonde hij voordien te Zwolle. Uit de periode 1502 tot 1509 zijn enkele klokken van hem bekend. Vermoedelijk is hij in 1509 of 1510 gestorven. Zijn zoon Henricus was ook klokkengieter maar klokken zijn van hem niet bekend. In 1522 wordt hij nog als erfgenaam van Willem genoemd.
bronnen:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), p.130-132.

Arnt en Peter van Wou
Gaat het hier om zonen van Willem van Wou van Utrecht? Arent en Peter waren omstreeks 1508 als klokken- en geschutgieters te Groningen werkzaam. Van laatstgenoemde zijn echter geen klokken bekend. Van Arnt weten wij dat hij in 1505 minstens een klok samen met Henrick van Kampen heeft gegoten en in 1506 in Duitsland enkele klokken samen met Johannes Schonenborch. Maar meestentijds werkte hij toch zelfstandig. Het gaat om de periode 1504-1509.
bronnen:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), p.131-132.

Gillis Wybrants
Zie Gillis Wibrants