beiaarden.nl--andrelehr.nl

Over carillons, gieterijen, musea,campanologie, enz.

-->

D

Gerrit van Dam
Deze klokkengieter goot in 1554 een kleine klok voor de voormalige abdij te Aduard in de provincie Groningen. Er wordt wel eens verondersteld dat hij in werkelijkheid Geert van Wou jr. was.

Adam Danckwart
Deze gieter leverde in 1664 een klok aan Mijdrecht.

 Daventrie
Zie Van Deventer.

Claude Deforest
Zie Clément Drouot.

François Delapaix
Kort voor zijn dood in 1667 heeft François Hemony aan zijn leerling François Delapaix een loffelijk getuigschrift gegeven. Delapaix goot vervolgens in de jaren 1667-1670 klokken in Nederland. Samen met Josephus Plumere goot hij in 1670 een klok voor Aarle-Rixtel. Zijn enige beiaard maakte hij in 1673 voor Belfort van Bergen (Henegouwen). Aldaar zou hij toen ook wonen. Delapaix was afkomstig van Damblain in Lotharingen alwaar talrijke familieleden eveneens klokkengieter waren
bronnen:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.114.
Paul Michels, Die Glockengießerfamilie Delapaix. In: Westfälische Zeitschrift, jg.110, 1960, p.329-340.
Henry Ronot, Dictionnaire des fondeurs de cloches du Bassigny (Dijon, 2001).

Demka
De echte naam van deze voormalige staalfabriek te Utrecht luidde Nederlandsche Staalfabrieken v/h J.M. de Muinck Keizer. De laatste naam afgekort tot d.M.K. kan uitgesproken worden als Demka. Onder die naam was dit bedrijf in Utrecht bekend.
J.M. de Muinck Keizer trad in 1882 als firmant toe tot de sinds 1851 bestaande IJzergieterij Ten Oever, Koning & Co te Martenshoek (Hoogezand-Sappermeer). Aldaar werd in 1902 door De Muinck Keizer voor het eerst in Nederland gietstaal gemaakt. Het werd verhandeld onder de naam reformijzer. In 1913 verhuisde het bedrijf naar Zuilen, een dorp dat thans deel uit maakt van de stad Utrecht. 
De Demka was een zeer groot bedrijf. Maar stalen klokken werden pas na de Tweede Wereldoorlog gegoten en dan nog gedurende een zeer korte periode,en wel in 1946 en in een zeer beperkt aantal. Drijvende kracht daarachter was het toenmalige hoofd van het Demka-laboratorium. de metaalkundige prof.dr. A.J.Zuithoff, hoogleraar te Delft en zwager van klokkengieter Andries Heero IV van Bergen te Heiligerlee. Ook dr. E.W. van Heuven was erbij betrokken. Deze promoveerde in 1949 te Delft op een proefschrift over de natuurkundige aspecten van klokken. In 1983 werd de Demka gesloten. De klokkenperiode was toen al lang voorbij. Stalen klokken worden niet meer gegoten, noch te Utrecht, noch elders.
bronnen:
J.C. Westerman, Geschiedenis van de IJzer- en Staalgieterij in Nederland. In het bijzonder van het bedrijf van de Nederlandsche Staafabrieken v/h/ J.M. de Muinck Keizer N.V. te Utrecht (Utrecht, 1948).
Johan van den Hurn & Adri Onnekink, Demka restituit pacifico. In: Luid en Duidelijk (verenigingsorgaan van het Utrechts Klokkenluiders Gilde), jg.19, nr.38, oktober 2000, p.5-7.

Johan Nicolaas Derck, zoon Johannes en kleinzoon Jan Nicolaas
Johan Nicolaas Derck werd in 1688 te Schleusingen in Thüringen geboren als zoon van een klokkengieter. In 1712 kwam hij vanuit Mannheim naar Nederland en met name naar Enkhuizen waar hij waarschijnlijk kort daarna in de gieterij van Jan Crans werkzaam was. Zes jaar later vertrok hij naar Hoorn waar hij in de periode van 1718 tot 1764, zijn sterfjaar, klokken en geschut heeft gegoten. Maar daarnaast ook allerlei ander gietwerk. Meerdere klokken zijn van hem bekend. Geruchtmakend waren zijn beiaarden. 
In 1736 leverde hij via een tussenpersoon een zwaar carillon aan Kopenhagen, twee jaar later gevolgd door een soortgelijk spel voor Gdansk. Aldaar werd het een uiterst vervelende affaire want de stemming der klokken deugde aan geen kanten. De Nederlandse beiaardier van Gdansk wenste dit onder geen voorwaarde te accepteren. Het heeft Dercks reputatie kennelijk niet geschaad, want in 1758 kon hij een beiaard aan Sint Petersburg leveren. Maar de stemming was nog steeds niet in orde.
Op het einde van zijn leven, in 1761, verkocht hij zijn gieterij aan zijn zoon Johannes maar kocht deze even later weer terug. In elk geval is de zoon slechts van een enkele klok bekend evenals zijn kleinzoon Jan Nicolaas Derck. Van hem kennen wij nog een klok uit 1768.
bronnen:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.245-247.
D.A. Wittop Koning, Nederlandse vijzels (Weert, 1989), p.69-70.
Piet Boon, De Hoornse klok- en geschutgieterij van de familie Derck. In: Concerten 1993 (Vereniging “Het Carillon te Hoorn”, 1993).
Hans-Georg Eichler, Handbuch der Stück- und Glockengießer auf der Grundlage der im mittleren und östlichen Deutschland überlieferten Glocken (Greifenstein, 2003), p.76.

Johannes van Deventer
Van hem kennen wij een klok uit 1473. Vermoed wordt dat hij dezelfde is als Johan Clockengieter (zie aldaar) die te Deventer in 1475 en 1478 genoemd wordt.
Er is ook een Johan van Deventer van wie wij een klok kennen uit 1538 te Langweer. Hij wordt geacht dezelfde te zijn als Johan Clockengieter die in 1513 het burgerrecht van Deventer verwierf. Wellicht een zoon?
bron:
M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 57ste stuk, 2de reeks, 33ste stuk, 1941, p.77-127.

Johann Heinrich Dinckelmeijer
Van hem vinden wij twee klokken uit 1732 in Limburg. Hij was klokkengieter te Keulen. Meerdere familieleden oefenden hetzelfde beroep uit. Van Johann Heinrich kennen wij klokken uit de periode 1732-1747.
bron:
Karl Walter, Glockenkunde (Regensburg & Rom, 1913), p.720.

Jan Adrianussen Dop
De Utrechtse klokkengieter Jan Dop huwde in 1628 met Annichen Grootenhuys en werd daarmee de zwager van de Utrechtse klokkengieter Aelt van Meurs. Mogelijk is Dop aanvankelijk knecht geweest bij Wouter Both en Eppe van der Arck. Het lijkt erop dat hij na de dood van zijn zwager in 1642 diens bedrijf heeft overgenomen. Klokken van Jan Dop zijn bekend uit de periode 1641-1663. Hij stierf in 1680.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Adriaen Dop
De in oorsprong Utrechtse klokkengieter van zeer bescheiden signatuur Adriaen Dop werd als zoon van de Utrechtse klokkengieter Jan Dop in 1632 geboren. Mogelijk was hij meer geelgieter dan klokkengieter want uit zijn Utrechtse periode is geen enkele klok bekend. Omstreeks 1670 moet hij naar Rotterdam verhuisd zijn. Daar goot hij de nog enige bekende klok van hem in 1696. Waar en wanneer hij gestorven is, is onbekend. Wij weten slechts dat hij in 1711 nog in leven was.
bronnen:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.
Kanonnen, Klokken en Kandelaars. Koper en brons uit Rotterdam. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Schielandshuis te Rotterdam 26 maart – 27 juni 1999, p.105.

Peter van Dormen
Peter van Dormen woonde in 1460 te Antwerpen in een huis genaamd de Klokke. Van hem zijn klokken bekend tussen 1437 en 1458. Hij beperkte zich niet tot een bepaalde streek want zijn klokken vindt men zowel in Oost-Friesland als in Zeeland. Hij werkte onder andere samen met Willem Sloterdiic, maar ook met Johannes van Dormen, wellicht zijn zoon.
bronnen:
C.J.F. Slootmans, Klokken, beiaard en beiaardiers te Bergen op Zoom vóór 1747. In: Sinte Geertruydsbronne, jg.14, 1937, p.1-23 en bijlagen p.I-XL.
A. Rauchheld & F. Ritter, Glockenkunde Ostfrieslands (Emden, 1929).
G.H. van Borsum Waalkes, Friesche klokke-opschriften. In: De Vrije Fries, deel 16,, 1886, p.145-310.

Clément Drouot
Van deze Lotharingse klokkengieter kennen wij in Nederland een tiental klokken die tussen 1810 en 1815 voornamelijk in Limburg werden gegoten. Hij werd in 1770 te Romain-sur-Meuse als zoon van molenaar Joseph Drouot geboren, huwde in 1792 te Huilliécourt en stierf aldaar in 1821 op vijftigjarige leeftijd.
Drouot heeft volgens de traditie van Lotharingse klokkengieters regelmatig met landgenoten samengewerkt. Beperken wij ons tot Nederland dan was dat zowel in 1780 als in 1811 met een zeker Jean Baptiste Dupont uit Huillécourt. Aldaar zijn klokken van hem bekend tussen 1788-1792. Heeft bij de klok uit 1811 dan diens zoon geholpen?
In 1790 goot Drouot in het Limburgse twee klokken samen met Nicolas Simon (zie afzonderlijk lemma) en Claude Deforest. Laatstgenoemde was afkomstig van Illoud in Lotharingen en leefde aldaar van 1726-1803.
In 1807 zien wij Clément Drouot samenwerken met P. Thouvenel. Stellig was hij een Lotharingse klokkengieter, want de naam Thouvenel komt daar ook als klokkengieter veelvuldig voor. Ook buiten Nederland zien wij die samenwerking.
In 1811 werkte hij samen met de Lotharinger Jean Baptiste Nicolas Gaulard (zie aldaar), in 1816 met zijn schoonzoon Joseph Perrin (zie aldaar). In 1819 tenslotte werkte hij samen met een andere Lotharingse gieter Etienne Regnaud. Hij is verder moeilijk te plaatsen omdat in het toenmalige Lotharingen talloze klokkengieters leefden onder de naam Regnaud of Regnault.
bronnen:
R.S. Bour, Études campanaires mosellanes (Colmar, 1947), tome premier, p.438-440 en 454-455.
Henry Ronot, Dictionnaire des Fondeurs de Cloches du Bassigny (Dijon, 2001).

Joris Dumery
Joris Du Mery of Dumery werd in 1715 te Hoves (Henegouwen) geboren. Hij stierf te Brugge in 1787. Dumery was getrouwd met Maria d’Hondt, geboren te Hilvarenbeek en zuster van Jan die uurwerkmaker te Antwerpen was. Moeten wij hem als de opvolger van Willem Witlockx beschouwen? Het lijkt van niet, ofschoon hij zich kort na de dood van Witlockx te Antwerpen vestigde en in 1736 zelfs poorter van die stad werd. Nochtans lijkt het erop dat Dumery het vak bij Alexius Jullien te Lier had geleerd. In elk geval goot Jullien in 1734 op het einde van zijn leven een klok samen met Joris Dumery. Kort daarop, in 1735 na het overlijden van Jullien, goot Dumery voor de eerste keer zelfstandig een klok. Twee jaar eerder was die aan Jullien opgedragen. Zijn eerste beiaard maakte hij voor Kortrijk in 1738. 
In verband met de nieuwe beiaard in 1741 verhuist hij naar Brugge. Aldaar giet hij in 1743 en later de zeer klankrijke en zware beiaard voor de Halletoren aldaar. Hij goot ook klokkenspellen voor andere plaatsen, zoals Aalst, Edingen en Tielt in Vlaanderen. Maar zijn grootste productie betrof echter luidklokken die hij zeer vele gegoten heeft. Daarnaast hield hij zich intensief bezig met ander gietwerk, meer dan de doorsnee klokkengieter. Hiertoe behoorden kunstgietwerk en geelgieterswerk. Geschut daarentegen heeft hij nooit gegoten. Ofschoon Joris Dumery een uitstekend klokkengieter was, kregen zijn kwaliteiten onvoldoende kans. Het lijkt erop dat zijn weinig commerciële aanpak hier debet aan was. In 1784 werd de klokkengieterij door zijn zoon Willem overgenomen.
bronnen:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.234-239.
Jacques De Blauwe, Dumery, een naam die klinkt als een klok. In: Hedwig Dacquin & Martin Formesyn, Brugge, Belfort en Beiaard (Brugge, 1984), p.63-73.
Gaston van den Bergh, Klokgieter Georgius Dumery (Vereniging voor Toren en Beiaard, Mechelen, 1985).

Willem Dumery en zijn zonen Willem en Jacob
Als zoon van Joris Dumery werd Willem in 1745 geboren. Hij stierf in 1793. Zijn zoon Willem (1772-1848) goot eveneens klokken. Nochtans is het oeuvre van beiden, vader en zoon, erg klein. Ongetwijfeld speelde daarin de Franse tijd in Vlaanderen een grote rol. Van de andere zoon van Willem sr, Jacob (1773-1836) is een vijftiental klokken bekend. Na zijn dood in 1836 werd het bedrijf door zijn echtgenote voortgezet, zonder veel succes overigens. In 1855 volgde de definitieve sluiting.
bronnen:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.234-239.
Jacques De Blauwe, Dumery, een naam die klinkt als een klok. In: Hedwig Dacquin & Martin Formesyn (ed.), Brugge, Belfort en Beiaard (Brugge, 1984), p.63-73.

Jean Baptiste Dupont
Zie Clément Drouot.