beiaarden.nl--andrelehr.nl

Over carillons, gieterijen, musea,campanologie, enz.

-->

B

J. van Baerlebeke
Van hem is slechts een klokje uit 1393 bekend.

Jan Frederik Bagge
Hij was klokken- en geschutgieter te Hoorn van 1776 tot 179. Hij was de opvolger van Jan Nicolaas Derck, de kleinzoon van Johan Nicolaas Derck. Van Bagge zijn overigens geen klokken bekend.


W.H. Baily & Comp
Van deze firma uit Manchester is in Nederland een klok uit 1886 bekend. Vermoedelijk een gelegenheidsgieter omdat hij niet in Engelse klokkengieterslijsten voorkomt.


Otto Bakker
De geelgieter tevens klokkengieter Otto Bakker werd in 1704 te Rotterdam geboren. Van hem zijn slechts enkele grote klokken bekend uit de periode 1760-1770. Bij zijn overlijden in 1780 gaat de geelgieterij over naar zijn zoon Gerrit.

bron:
Kanonnen, Klokken en Kandelaars. Koper en brons uit Rotterdam. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Schielandshuis te Rotterdam 26 maart – 27 juni 1999, p.104.

Gerrit Bakker
Gerrit Bakker werd in 1641 als zoon van de geelgieter Otto Bakker geboren. Over zijn leven is niet veel bekend. Wij weten onder andere dat hij in 1773 trouwde en tussen 1769 en 1796 verschillende malen hoofdman van het gilde St.Eloy was. Hij overleed in 1817. Naast vooral geelgieterswerk is van hem een aantal klokken bekend uit de periode 1771-1798.

bron:
Kanonnen, Klokken en Kandelaars. Koper en brons uit Rotterdam. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Schielandshuis te Rotterdam 26 maart – 27 juni 1999, p.103.

Pieter Bakker
De vader van de geelgieter en klokkengieter Pieter Bakker heette eveneens Pieter. Deze was afkomstig van Schiedam en stierf te Rotterdam in 1748. Hij was geelgieter en geen klokkengieter. Zoon Pieter koos wel voor die combinatie. Hij werd in 1712 te Rotterdam geboren en stierf aldaar in 1780. Klokken van hem zijn bekend uit de periode 1754-1777, meestentijds van klein formaat.
bron:
Kanonnen, Klokken en Kandelaars. Koper en brons uit Rotterdam. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Schielandshuis te Rotterdam 26 maart – 27 juni 1999, p.103.

Bakker & Pootman
Van deze klokkengieters te Rotterdam zijn een drietal klokken bekend uit de periode 1828-1837. Hun werk laat weinig bekwaamheid zien. Een relatie met de 18de eeuwse klokkengieters Bakker te Rotterdam ligt voor de hand, doch is vooralsnog niet aangetoond.

Jurrien Balthasar
Hij werd geboren omstreeks 1607 en was afkomstig van Zwickau, 20 km ten westen van Chemnitz. In 1642 werd hij als burger van ’s-Hertogenbosch ingeschreven. Niet lang daarna moet hij naar Leeuwarden zijn vertrokken, waar hij werkzaam was sinds 1651. In 1654 werd hij de opvolger van Jacob Noteman. Twee jaar later werd hij burger van Leeuwarden. In of voor 1671 moet hij gestorven zijn want in laatstgenoemd jaar trouwt zijn weduwe met Petrus Overney, die ook zijn opvolger werd. In dat jaar kreeg deze bovendien van de Staten van Friesland het alleenrecht om in die provincie klokken te gieten. 

Godefridus Baulard
Een klokkengieter uit Lotharingen van wie in Nederland twee klokken uit 1659 bekend zijn. In Oost-Friesland vindt men van hem klokken uit de periode 1644-1665. Tot 1651 werkte hij regelmatig samen met andere Lotharingse klokkengieter; na genoemd jaar echter alleen.
bron:
A.Rauchheld & F.Ritter, Glockenkunde Ostfrieslands (Emden, 1929), p.8-10.

Wolfert Beeldsnyder
In de provincie Groningen hangt of hing een klok uit 1683 van Wolfert Beeldsnyder van wie verder niets bekend is.

Pieter van Belzen
Hij was klokkengieter te Middelburg in der jaren 1754-1760 en werkte samen met Michaël Everhard.

Jan van Bembach
Hij goot in 1618 een klok voor Ophandel.

Johannes de Bentem
Te Broekhuizervorst in Limburg hing een klok van Johannes de Bentem uit 1440.
bron:
A. Rauchheld & F. Ritter, Glockenkunde Ostfrieslands (Emden, 1929).

Klokkengieterij Van Bergen
In 1789 vestigde zich Andries Heero I van Bergen (1768-1847) te Midwolda (Gr.). Hij vond daar werk in een timmerwerkplaats. Later stapte hij over naar een smederij. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat toen in 1791 de Oost-Friese klokkengieters Claude Fremy (1729-1792) en Mammeus Fremy Heidefeld (1748-1806) een klok te Midwolda goten, Van Bergen voor het eerst met het klokkengieten in aanraking kwam. In elk geval is het zeker dat hij met beiden samenwerkte en later ook met Claude’s zoon Mammeus Fremy (1762-1837). Geheel zelfstandig goot Van Bergen in 1795 zijn eerste klok. Na aanvankelijke mislukkingen werd hij allengs een ervaren gieter die in zijn sterfjaar 1847 zelfs 148 klokken goot, een niet gering aantal voor die tijd. Ook hield hij zich een enkele keer met een beiaard bezig, zonder veel succes overigens. Niettemin moest hij bijverdienen hetgeen hij deed met een kruidenierswinkel annex tapperij.
Opvolger werd Udo Andries (1800-1879). Maar die vond tenslotte meer werk in brandspuiten dan in klokken. Het vervaardigen van brandspuiten was overigens niet vreemd want daar zit erg veel geelgieterswerk aan. En voorts, Udo Andries raakte aan de drank zodat het geen wonder is dat de zaken weinig floreerden.
De gieterij werd in 1853 nieuw leven ingeblazen door zijn zoon Andries Heero II (1835-1913). Hij was een ondernemend klokkengieter want in 1862 stichtte hij te Heiligerlee een tweede gieterij. Aldaar werkten ook zijn broers Berend en Heero Andries. Maar zij kregen ruzie met Andries Heero II. Daarom gingen zij in 1871 terug naar Midwolda om met hun vader Udo Andries de zaken voort te zetten. Andries Heero bleef achter in Midwolda. De klokkengieterij aldaar is altijd klein gebleven, maar er werden uitstekende klokken gemaakt. De laatste klokkengieters waren de gebroeders Udo Andries (1883-1970) en Jacobus van Bergen (1886-1976). Ze waren kleinzonen van Udo Andries die het glas niet kon laten staan. Udo Andries verliet de gieterij in 1950, zodat Jacobus de zaken alleen voortzette. Hij verkocht de gieterij op 1 januari 1956 aan de werknemer Wolbert Jacob Koek. Het was het begin van het einde, want de gieterij werd begin jaren zeventig tenslotte gesloten. Geen wonder, want zijn klokken waren slecht gegoten. Spottend sprak men over die klokkengieter die zoveel koek in zijn klokken doet. Na zijn vertrek uit Midwolda in 1950 heeft Udo Andries nog een vijftal klokken bij de Van Voorden Gieterij te Zaltbommel gegoten. Van een blijvende nieuwe klokkengieterij aldaar was dus geen sprake.
In Heiligerlee zou het tenslotte niet anders gaan. Maar eerst ging men nog roemrijke jaren tegemoet. In 1893 werd de leiding van de gieterij overgenomen door Andries Heero III (1865-1939) en zijn broer Udo Jurrien die overigens in 1904 vertrok. Het was eerstgenoemde gieter die in 1906 de beiaard van de Domtoren te Utrecht met twee valse basklokken uitbreidde. Deze zijn intussen al lang verwijderd. 
In 1920 namen de zonen Hermannus Tjapko, Jan Jurrien en Andries Heero IV (1896-1981) de leiding over. Van dit drietal was laatstgenoemde veruit de belangrijkste. Opgemerkt moet worden dat hij een zwager was van prof.dr. A.J.Zuithoff die zich als metaalkundige verdienstelijk maakte bij het gieten van stalen klokken door de Demka te Utrecht, kort na de Tweede Wereldoorlog. Andries Heero IV was het ook die in 1933 als eerste Nederlandse gieter weer met een zuiver gestemd klokkenspel op de markt verscheen. Het was het begin van een succesvolle periode, tot in Amerika toe. Maar na de oorlog zou het tij zodanig keren, dat zijn zoon Andries Heero V (*1935) niet kon voorkomen dat het bedrijf in 1980 tenslotte gesloten moest worden. Thans is er het Klokkengieterijmuseum in gevestigd. In dit museum werd overigens gedurende een aantal jaren nog kleinere klokken gegoten, als ondersteuning van de financiën en als een attractie voor de bezoekers. De gieter was Simon Laudy die nu een eigen gieterij Reiderland te Beerta heeft.
bronnen:
K.B. de Haan, De klokkengieters Van Bergen. Van Midwolda naar Heiligerlee 1795-1980 (Heiligerlee, 1992).
André Lehr & J.W.C.Besemer, Zingende Torens. Friesland, Groningen, Drenthe & Overijssel (Zutphen, 1994), p.19-29.

D. de Bergh
Deze gieter is bekend van een klok uit 1701

Antoine Bernard
Antoine Bernard werd vóór 1675 te Neufchâteau in Lotharingen geboren. Als klokkengieter ontmoeten wij hem echter in het nabij gelegen Doncourt. Hij stierf na 1731, waarschijnlijk niet in Lotharingen. Meerdere leden van de familie Bernard waren klokkengieter. Van hem kennen wij in Limburg enkele klokken uit 1728 en 1729. Bekendheid kreeg hij in 1729 toen hij een beiaard voor het Belgisch-Limburgse Hasselt moest gieten. Als een typische luidklokkengieter was hij daartoe niet in staat. Het werd dan ook een volledige mislukking. In 1751 werd een groot deel der klokken door Andreas Jozef van den Gheyn uit Leuven hergoten.
bronnen:
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.347-348.
Hewnry Ronot, Dictionnaire des fondeurs de cloches du Bassigny (Dijon, 2001), p.138.

Alphons Beullens
Alphons Beullens (1840-1924) was de zwager van de klokkengieter Severinus van Aerschodt die met zijn zuster Marie Beullens getrouwd was. Van huis uit was hij uurwerkmaker. Hij was echter in dienst van zijn zwager van wie hij klaarblijkelijk ook het vak leerde. Hij bracht het tot meestergieter. Later vestigde hij zich zelfstandig. Hij goot ook beiaarden, zoals die in 1890 voor Borgerhout. Het was geen succes. In 1903 verkocht hij zijn bedrijf aan Omer Michaux wiens de oudst bekende klok uit 1904 dateert.
bron:
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.70.

Peter de Beyschen
Zie Peter van Trier.


H. en L. Bikkers en Zoon
Wij kennen deze firma slechts van een klok uit 1892. Mogelijk was het de Brandspuitenfabriek te Rotterdam.

P. Bisschops
Hij is slechts bekend van een klok uit 1815 in het Limburgse.

Johannes Blörkman
Van deze Zweedse klokkengieter uit Götenborg kent Nederland een klok uit 1798. 

Claes Bockes
Hij is in 1571 in Leeuwarden gesignaleerd.

Henricus Boerch
Hij is slechts van een klok uit 1455 te Kamerik bekend.

Bochumer Verein für Bergbau und Gußstahlfabrikation
De metaalkundige Jacob Mayer stichtte in 1842 met zijn partner Eduard Kühne te Bochum de firma Mayer & Kühne. Deze gieterij stelde zich in de eerste plaats tot doel om gietstaal te fabriceren. Maar hoe? Want gietstaal bestond toen nog niet. Voor de goede orde zij opgemerkt dat gewoon gietijzer meer dan 2% koolstof bevat. Die legering is uitstekend te gieten maar niet te smeden. Gietstaal heeft minder dan 1½% koolstof en is uitstekend te smeden. Het gieten van deze legering was echter een groot probleem. Maar Mayer slaagde er in 1852 in de juiste methode te vinden. En vervolgens goot hij daarin de eerste stalen klokken. Dat was in 1854. Concurrent Krupp te Essen had de nieuwe methode voor het nakijken. Op de Wereldtentoonstelling van 1855 te Parijs zou de doorbraak volgen. Sindsdien werden regelmatig stalen klokken gegoten door wat sinds 1933 heette de Bochumer Verein. Ook in Nederland werden vanaf het begin van de twintigste eeuw stalen klokken aangeschaft, zij het op zeer bescheiden schaal. Stalen klokken missen namelijk de sonoriteit van bronzen klokken. Bovendien klinken ze een kwint hoger, althans indien geen bijzondere maatregelen worden getroffen. Ook na de Tweede Wereldoorlog werden nog enkele jaren stalen klokken naar Nederland geleverd. Maar ze bleven weerstand ontmoeten, hoezeer voor deze klokken het kostbare en soms schaarse tin niet nodig was. De Bochumer Verein zelf ging in 1965 op in de staalfabrieken van Krupp te Essen. Het gieten van stalen klokken werd in 1970 beëindigd.
bronnen:
André Lehr, Over een gietstalen klok die een gouden medaille kreeg. In: Berichten uit het Nationaal Beiaardmuseum, no.24, augustus 1999, p.19.
Hans-Georg Eichler, Handbuch der Stück- und Glockengießer auf der Grundlage der im mittleren und östlichen Deutschland überlieferten Glocken (Greifenstein, 2003), p.55.

Peter Boidijn
Samen met Steven Butendiic goot deze gieter in 1453 een uurklok voor de Domtoren van Utrecht. Was hij een knecht of trad hij door onbekende omstandigheden tijdelijk op de voorgrond in plaats van zijn meester?
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Aelt Boister
Zie Peter Albertsz. Vriese en Aelt Boister

Johannes van Bomen
Van hem zijn in de noordelijke provincies enkele klokken bekend uit de periode 1435-1444.

U.U. Bon
Zie Laurens Elsinga.

Arendt Boolen
Van een klok uit 1778 bekend.

Henricus Egbertsz. de Borch de Oudere
Henricus de Borch wordt te Utrecht voor het eerst in 1511 vermeld. Klokken van hem zijn bekend uit de periode 1511-1532. De gieter bemoeide zich ook met de plaatselijke politiek hetgeen hem bijna zijn leven had gekost. Rond 1528 wist hij echter de wijk te nemen, doch kon het daarop volgende jaar al weer terugkeren en zijn beroep uitoefenen. Hij stierf tussen 1532 en 1534. Zijn vrouw Antonia hertrouwde met de Utrechtse gieter Jan Tolhuis. Een dochter van hem, Cornelia, trouwde met de Utrechtse gieter Thomas Both. Een andere dochter Aeltgen, huwde met Adriaen van Ammelroy, de stamvader van de Utrechtse gieters uit het geslacht Van Ammelroy.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Johannes de Borch
Johannes de Borch, zoon van Hendrick de Borch, schijnt reeds vroeg uit Utrecht vertrokken te zijn. Klokken van hem zijn bekend uit de periode 1556-1580. In laatstgenoemd jaar of kort daarna is hij overleden.
bronnen:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.
Hans-Georg Eichler, Handbuch der Stück- und Glockengießer auf der Grundlage der im mittleren und östlichen Deutschland überlieferten Glocken (Greifenstein, 2003), p.56.

Hans de Borch
Hans de Borch, afkomstig van Utrecht, duikt in 1571 te Emden op. Na een scherp verhoor waarin hij zich moest verantwoorden voor het geschut dat hij onder andere voor Lübeck had gegoten, werd hij als klokken- en geschutgieter toegelaten. In 1573 trouwt hij met Aelke, zuster van de Emder klokkengieter Gert Powels. Klokken van hem zijn bekend uit de periode 1575-1583. In 1586 is hij overleden. De klokkengieterij werd toen door Gerd Powels voortgezet.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Hendrick de Borch de Jongere
In 1585 ontving Hendrik de Borch van Aelke Powels, de weduwe van Hans zijn broer, uit diens nalatenschap klokgietersgereedschap. Klokken van hem zijn bekend tussen 1595 en 1601.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Anthonius de Borch van Utrecht
Anthonius de Borch was waarschijnlijk de zoon van Hendrick de Borch de Oudere. Klokken van hem zijn bekend tussen 1559 en 1569, alle in Utrecht en Zuid-Holland. Daarvoor vinden wij hem elders. Wanneer hij in 1553 in Groningen werkt, noemt hij zich Anthonius van Utrecht. Mogelijk was hij ook dezelfde die in 1547 een klok voor Münster goot en daarom Anthonius de Borch van Münster wordt genoemd. 
De vraag is wanneer Anthonius de Borch zich weer in Utrecht heeft gevestigd. Opvallend is dat na de dood van Jan Tolhuis in 1559 een Anthonius Henricxz. als diens opvolger, dus als stadsklokken- en geschutgieter werd benoemd. Vrijwel zeker is dat Anthonius de Borch omdat vanaf dat jaar onder die naam klokken in Holland verschijnen. Vrijwel zeker stierf hij in 1576.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Johan Christiaan Borchhardt
Werkte van 1732-1755 te Groningen, waar hij waarschijnlijk ook geboren was, en daarna als landsgeschutgieter te Enkhuizen in de periode 1756-1777. Ongetwijfeld had dit te maken met het vertrek van Jan Verbruggen in 1755 naar Den Haag. In laatst genoemd jaar is hij overleden.
Borchhardt is een zeer productief gieter geweest van wie vele luidklokken bekend zijn. Ook hield hij zich bezig met beiaarden, onder andere voor Deventer en Enkhuizen. In onze tijd werd hij echter het meest bekend met zijn beiaard voor Sneek uit 1771. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd over dit klokkenspel tussen musici en oudheidkundigen een vinnige discussie gevoerd.
Te Enkhuizen werkte hij somtijds samen met Jan Steen. Zij signeerden dan met Steen & Borch­hardt. Klokken van dit tweetal zijn bekend uit de jaren 1755-1762 wat overigens niet verhinderde dat Borchhardt ook zelfstandig bleef gieten.
bron:
S.Spoelstra e.a., Voorlopige inventaris van de werkstukken van de Enkhuizer klokkengieters (manuscript uit 1981 aanwezig in de bibliotheek van het Nationaal Beiaardmuseum).

Steven Borchhardt
Deze klokkengieter was te Enkhuizen werkzaam tussen 1756 en 1772.


Charles Bosch Reitz
Van hem is slechts een klok bestemd, een klok uit 1878 voor het Raadhuis te Den Helder. Hij was in feite geen klokkengieter, doch had meerdere initiërende en leidinggevende functies in de techniek..

Thomas Both
De Utrechtse klokkengieter Thomas Both stamde uit een aanzienlijke familie. Hij werd omstreeks 1530 geboren en overleed in 1593. Hij was gehuwd met Cornelia Hendrixd., derhalve waarschijnlijk een dochter van de klokkengieter Hendrick de Borch de Oudere en de stiefdochter van de klokkengieter Jan Tolhuis. Het lijkt daarom aannemelijk dat hij het vak bij Tolhuis heeft geleerd en dit temeer omdat Boths naam pas na de dood omstreeks 1558 van Tolhuis op klokken voorkomt. Klokken van hem vindt men namelijk in de jaren 1562-1593. Daaronder bevond zich ook de beiaard van het Brabantse Heusden uit 1589/90. Darna goot hij spellen voor Oudewater, Tholen en Vlissingen. De kwaliteit van die klokken was echter onvoldoende om een beiaard te kunnen vormen. Nochtans, zijn productie was niet gering. Dat geldt ook voor het geschut dat hij goot. Thomas Both heeft in 1569 samengewerkt met Willem van Aelten. Zijn zoon Hendrick zou hem als klokkengieter opvolgen.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Hendrick Both
Deze Utrechtse klokkengieter was de zoon en de opvolger van Thomas Both. Hij stierf reeds in 1598, dus vijf jaar na zijn vader. Zijn oeuvre is daarom klein gebleven. Na de dood van zijn vader werd hem aangeboden om het klokkenspel voor Monnickendam te gieten, een opdracht die zijn vader had gekregen. Maar hij zag daarvan af. Klokken van hem beslaan de korte periode 1588-1596. Twee van zijn zonen, namelijk Gerrit en Wouter, werden eveneens klokkengieter.

bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Gerrit Both
Deze Utrechtse klokkengieter was de zoon van Hendrick Both, eveneens te Utrecht. Zijn eerste klok dateert van 1599 voor Amersfoort, doch die was allerminst een succes, integendeel! Onder andere was het gietwerk ronduit slecht en daardoor ook de klank. Zijn beiaard uit 1601 voor Oudewater was muzikaal een mislukking. Zijn laatst bekende klok dateert uit 1609. Gerrit Both overleed al in 1615.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Wouter Both
De Utrechtse klokkengieter Wouter Both was de jongere broer van Gerrit. Hij heeft slechts in 1625 met een klok voor de Domtoren zelfstandig gewerkt. Later altijd in samenwerking met Eppe van der Arck in de periode 1625-1640. Hoogst waarschijnlijk is hij in 1644 overleden. Hij was de laatste klokkengieter Both.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Johannes Bourlet
Van deze gieter is in Nederland een klok uit 1679 bekend. Bourlet woonde te Jülich, 25 km ten oosten van Kerkrade. Hij werkte regelmatig samen met Lotharingse gieters zoals Peter Michelin en Edmund Delapaix. Op die grond lijkt het niet geheel onwaarschijnlijk dat Johannes Bourlet oorspronkelijk uit Lotharingen kwam. Hij was een productief gieter van wie klokken tussen 1669 en 1688 bekend zijn.
bron:
Karl Walter, Glockenkunde (Regensburg & Rom, 1913), p.700.

Petrus Bouvrie
Petrus Bouvrie werd waarschijnlijk omstreeks 1670 te Luik geboren. Hij huwde in 1704 met Claire Stockis. Ze kregen zeven kinderen waaronder de latere beiaardier van Maastricht, Joannes Petrus (*1711). 

Petrus had te Luik sinds 1716 een eigen gieterij tezamen met een zekere Jean Baptist Brialmont die overigens uitsluitend metaalgieter was. Hun naaste buur was de klokkengieter Pierre Levache, wat nog al eens tot strubbelingen leidde. Behalve met luidklokken hield Petrus zich op gezette tijden ook met beiaarden bezig, in het bijzonder met die van zijn vaderstad Luik. Maar ook in Zaltbommel alwaar hij in 1734 twee klokjes aan de beiaard toevoegde. In Nederland heeft hij voorts meerdere luidklokken geleverd.
In 1735 verhuisde hij naar Maastricht waar zijn zoon de beiaardier woonde. Hij moet in dat jaar of in het daaropvolgende gestorven zijn.
bron:
Ida Olivers-Bouvrie, Petrus Bouvrie me fecit (Ongepubliceerd manuscript uit 2001 aanwezig in de bibliotheek van het Nationaal Beiaardmuseum te Asten).

Johannes Breer
Zie Johannes Bremensis.


A. Breghtel
Van een klok uit het einde van de zeventiende eeuw bekend.


Johannes Bremensis
Op grond van zijn naam mag men vermoeden dat het hier om een klokkengieter uit Bremen gaat. Dit wordt ondersteund door het feit dat zijn klokken tussen 1507 en 1516 voornamelijk in de noordelijke provincies van Nederland en in Oost-Friesland worden gevonden. Zijn oeuvre, waaronder een doopvont, was niet groot. De gieter had kennelijk moeite met zijn naam, want wij ontmoeten hem ook als Johannes de Bremens, Bremesis, de Bremenci en zelfs als Johannes Breer.

bron:
A. Rauchheld & F. Ritter, Glockenkunde Ostfrieslands (Emden, 1929), p.17-18.

Jean Breutel
Zie: Lotharingse klokkengieters in het vroeg-17de eeuwse Nederland.


Frerich van Brigten
Deze verder onbekende gieter goot in 1603 een klok voor Gasselte in Drente.


Laurens Brinckhuysen
Laurens Brinckhuysen zou afkomstig zijn van Lingen in Emsland (Nedersaksen). Zowel in 1650 als in 1667 komt hij in officiële documenten voor als knecht in de landsgeschutgieterij van Enkhuizen. Van hem zijn dan ook slechts enkele klokken bekend en met name uit de periode 1675 tot in 1683, het jaar van zijn dood. Zijn vrouw Anna Wilkes, gestorven in 1701, was een dochter uit het eerste huwelijk van de klokkengieter Anthony Wilkes. In de periode 1665-1667 werkte hij samen met Wolterken Wegewaert, de weduwe van Anthony Wilkes.

bron:
S.Spoelstra e.a., Voorlopige inventaris van de werkstukken van de Enkhuizer klokkengieters (manuscript uit 1981 aanwezig in de bibliotheek van het Nationaal Beiaardmuseum).

Jean Buret
Van deze Franse klokkengieter vinden wij in Zeeland een klok uit 1574. Blijkens het opschrift is deze klok zeker niet voor een Nederlandse plaats gegoten. En dit temeer niet omdat Jean Buret waarschijnlijk te Orléans woonde, alwaar hij in elk geval in 1595 trouwde. Klokken van hem kennen wij tussen 1572 en 1605. 

bron:
Karl Walter, Glockenkunde (Regensburg & Rom, 1913), p.704.

Jan sr. Burgerhuys
De oudste vermelding van Jan Burgerhuys, klokkengieter te Middelburg, dateert uit 1593/94 toen hij als knecht van klokkengieter Henrick van Trier genoemd werd. Laatstgenoemde woonde te Aken en was sinds 1592 gedurende enkele jaren te Middelburg werkzaam.

Jan Burgerhuys had een zoon Michaël over wie in een afzonderlijk lemma meer. Een andere zoon, althans hoogst waarschijnlijk, was Evert die zijn vader in 1612 en later behulpzaam was bij het gieten van een beiaard voor Zwolle. Twee jaar daarvoor had hij een klok aan een plaats in Schotland geleverd. Daarna horen wij over deze Evert niets meer. Nochtans is ook aan hem een apart lemma gewijd.
Van Jan Burgerhuys is werk bekend tussen de jaren 1598 en 1614. Hij goot niet alleen klokken maar ook geschut en vijzels alsmede zonder enige twijfel ander bronswerk. Bekend is verder een vijftiental klokken die hij aan Schotland leverde. Ook zijn zoon Michaël en kleinzoon Jan zouden dat doen.
Jan Burgerhuys werd op 9 november 1617 te Middelburg begraven.
bronnen: 
J.W.Enschedé, Het geslacht Burgerhuys, klok- en geschutgieters te Middelburg. In: Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 2de serie, jg.9, 1916, p.221-222.
W.S.Unger, Het klokkengietersgeslacht Burgerhuys. In: Archief, Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, 1926, p.19-29.

Michaël Burgerhuys
Michaël Burgerhuys, zoon van Jan en klokkengieter te Middelburg, was in 1618 ouder dan 25. Hij was in Aken geboren, de woonplaats van de klokkengietersfamilie Van Trier. Bij Henrick van Trier was zijn vader in dienst geweest.

Van de stad genoot hij meerdere voorrechten, zoals vrijdom van accijns alsmede het gebruik van de stadsmagazijnen voor het maken van gietvormen.
Klokken, kanonnen en ander gietwerk zijn van hem bekend uit de periode 1619-1651. In 1627 goot hij een kleine beiaard van negentien klokken voor het Stadhuis van Tholen. Enkele klokken dateerden uit de jaren daarvoor alsmede een klok uit 1603 van de hand van zijn vader.
Evenals zijn vader heeft Michaël klokken aan Schotland geleverd, zij het heel wat meer. Een kleine vijftig zijn bekend. De levering geschiedde waarschijnlijk via een handelaar te Middelburg.
Hij werd op 5 april 1651 te Middelburg begraven.
bronnen: 
J.W.Enschedé, Het geslacht Burgerhuys, klok- en geschutgieters te Middelburg. In: Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 2de serie, jg.9, 1916, p.221-222.
W.S.Unger, Het klokkengietersgeslacht Burgerhuys. In: Archief, Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, 1926, p.19-29.

Evert Burgerhuys
Evert Burgerhuys was hoogst waarschijnlijk een zoon van Jan. Wij weten weinig van hem. In 1610 had hij een klok aan een plaats in Schotland geleverd. Het jaar daarop was hij zijn vader behulpzaam bij het gieten van een beiaard voor Zwolle. Daarna horen wij niets meer over hem.

bron: 
W.S.Unger, Het klokkengietersgeslacht Burgerhuys. In: Archief, Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, 1926, p.19-29.

Joannes jr. Burgerhuys
Joannes Burgerhuys was een zoon van Michaël. Hij woonde en werk­te te Middelburg. Hij huwde met Judith van Bruynich bij wie hij in 1651 resp. 1653 twee dochters kreeg. Hij werd op 3 januari 1679 te Middelburg begraven.

Hij wordt in officiële stukken van Zeeland ’s lands geschut- en klokkengieter genoemd. Als zodanig vroeg hij eerst aan de stad Middelburg en later aan de Staten een traktement van tweehonderd gulden, de zware gereedschappen die voor het vormen en gieten nodig waren alsmede een vrije woning. Het is niet duidelijk of deze verzoeken gehonoreerd werden. Wel kreeg hij in 1658 een octrooi voor Zeeland, dat wil zeggen het alleenrecht om in deze provincie klokken en geschut te leveren. Daarbij werd geëist dat hij zijn prijzen niet zou verhogen. Nochtans werd het octrooi door andere gieters soms ontdoken, zoals in 1676. Zijn beklag scheen succes te hebben.
Zijn giethuis was ondergebracht in de oude refter van de Abdij. Tussen stad en staten ontstond echter een geschil over het onderhoud.
Klokken, kanonnen en ander gietwerk zijn van hem bekend uit de periode 1642-1676. Evenals zijn vader en grootvader heeft ook hij klokken aan Schotland geleverd. Het gaat daarbij om een tiental uit de periode 1642-1671.
Na het overlijden van Joannes in 1679 probeerde de weduwe met een meesterknecht het bedrijf voort te zetten. Maar zij kreeg daar geen toestemming voor.
bronnen: 
J.W.Enschedé, Het geslacht Burgerhuys, klok- en geschutgieters te Middelburg. In: Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 2de serie, jg.9, 1916, p.221-222.
W.S.Unger, Het klokkengietersgeslacht Burgerhuys. In: Archief, Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, 1926, p.19-29.

Wilhelmus de Buscoducis
Deze klokkengieter uit ‘s-Hertogenbosch goot in 1373 een klok voor Buggenum. Mogelijk is het identiek met Willem van Vechel (zie aldaar).
bron:
C.N.Fehrmann, De Kamper klokgieters. Hun naaste verwanten en leerlingen (Kampen, 1967), p.33.

Willam Butendiic
Willam Butendicc is de oudst bekende klokkengieter uit dit geslacht dat in Utrecht het ambacht van klokkengieter uitoefenden. In 1409 was hij ouderman bij het smedengilde en daardoor maatschappelijk hoog geplaatst. Opgemerkt zij dat ook de klokkengieters tot het smedengilde behoorden. In 1413 moest hij door een van de vele politieke tumulten in de stad tijdelijk de wijk nemen, maar twee jaar later kon hij weer terugkeren. De weinige klokken van hem dateren uit de periode van 1411-1440. In 1411 goot hij een banklok van Utrecht. Waarschijnlijk is hij omstreeks 1445 gestorven
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Steven Butendiic
Steven Butendiic, klokkengieter te Utrecht, was waarschijnlijk een zoon van Willam Butendiic. Een broer was de gieter Aernt. Steven was stellig de bekendste uit dit geslacht en bovendien met de meeste klokken vertegenwoordigd en wel in de periode 1444-1482. Samen met Peter Boyen goot hij in 1453 een uurklok voor de Domtoren. In datzelfde jaar werkte hij ook samen met de verder onbekend Willem Sloterdiic. Een klok van hen hangt te Schiedam. Tegen het einde van zijn leven, in 1481, werkte hij samen met Jan van Vorscoten, een al even onbekende gieter. Voor het overige goot Steven Butendiic geheel zelfstandig zijn klokken. Steven Butendiic overleed in 1483.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Aernt Butendiic
Wij weten erg weinig van deze gieter. Hij was een broer van Steven Butendiic en woonde waarschijnlijk te Utrecht. Slechts één klok is van hem bekend en wel voor Doniaga in 1460. In 1471 was hij nog in leven, maar wanneer hij gestorven is, weten wij niet.


bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Ricout Butendiic
Ricout of Ricoldus Butendiic is slechts van een klok bekend, namelijk die van Zuid-Scharwoude uit 1448. Op die klok vermeldt hij bovendien dat hij te Utrecht woonachtig was. Was hij een broer van Steven Butendiic?

In 2015 laat Peter de Rooij weten dat in de Oosterkerk te Hoorn ook een klok van deze gieter hangt.


bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Gherijt Butendicc
Het is niet geheel zeker of deze gieter te Utrecht woonde. Wel maken zijn klokversieringen aannemelijk dat hij banden met Steven Butendiic had. Zijn oudste klokken dateren uit 1431 en wel voor de O.L.Vrouwekathedraal van Antwerpen. Die werkzaamheden leidden een jaar later zelfs tot het poorterschap aldaar. Maar hoogst waarschijnlijk is hij daar niet blijven wonen. 

In de jaren 1450-1458 werkte hij samen met Willem Sloterdiic die mogelijk afkomstig was van Delft, doch in elk geval daar tussen 1434 en 1450 gewerkt heeft. Zo leverde hij zowel voor de Nieuwe als de Oude Kerk aldaar ijzerwerk en messing voorwerpen. Als compagnons leverden zij in 1450 een luidklok voor de Oude Kerk die inmiddels weer verdwenen is. Gherijt Butendiic overleed waarschijnlijk in 1458 of kort daarop.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Jan Butendiic
Van deze klokkengieter is slechts bekend dat hij in 1499 een klok voor Aalsum in Friesland goot. Ongetwijfeld was hij verwant met de Utrechtse Butendiics.

bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Frederyck Butgen
Van deze klokkengieter uit Dortmund kennen wij twee klokken in Nederland, een uit 1603 en een andere uit 1604. Verder weten wij niets over hem.