beiaarden.nl--andrelehr.nl

Over carillons, gieterijen, musea,campanologie, enz.

-->

A

Aalbrecht
Klokkengieter te Venlo. Hij goot een uurklok in 1389. Hij hield zich ook met geschut bezig.
bron:
J.Arts & F.Donders, Muziek der Klokken. In: Sint Gregorius-Blad, jg.56, 1931, p.241.

Hendrik Balthazar van Aalst
Voornamelijk, zo niet uitsluitend geschutgieter te Amsterdam 1760-1771.

Jan van Aelten
Hij was waarschijnlijk de zoon of neef van Willem van Aelten. Jan was te Amsterdam in de periode 1619-1623 de stadsklokken- en geschutgieter.

Willem van Aelten
De klokkengieter Willem van Aelten werkte in 1569 samen met de Utrechtse klokkengieter Thomas Both. Van hem is weinig bekend. Waarom alleen in genoemd jaar een compagnonschap bestond, is niet duidelijk, temeer niet omdat hij jaren later, in 1584, met vijf knechten van Thomas Both een zeker karwei verrichtte. De contacten waren derhalve niet verbroken. Wanneer hij stierf weten wij niet. Maar in elk geval was hij in 1593 nog in leven. Waarschijnlijk was hij de broer van Jan van Aelten.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Jan van Alstere
Hij goot in 1416 een klok voor Papenhoven. Is hij dezelfde als Johann van Alftere van wie sinds 1434 klokken in Duitsland bekend zijn? Zie onder die naam.

Andreas Lodewijk Jan van Aerschodt
Andreas Lodewijk van Aerschodt, zoals hij doorgaans genoemd wordt, werd in 1814 te Leuven geboren als zoon van Thomas van Aerschodt (1769-1831) en Anna Maximiliana van den Gheyn (1792-1875). Thomas was geen klokkengieter. Anna was de dochter van Andreas Lodewijk van den Gheyn (1758-1833), de laatste klokkengieter van die naam. 
Reeds in 1827 kwam de naam van Andreas Lodewijk van Aerschodt voor op de klokken van zijn grootvader Andreas Lodewijk van den Gheyn. Na diens dood in 1833 zou Van Aerschodt het bedrijf voortzetten ofschoon niet geheel duidelijk is op welke wijze hij, gezien zijn jonge leeftijd, dat kon doen. Opmerkelijk is dat hij de naam van Van den Gheyn op zijn klokken blijft gieten, bijvoorbeeld als A.L. van Aerschodt-Van den Gheyn. Verder moet nog opgemerkt worden dat zijn jongere broer Severinus tot omstreeks 1850 dikwijls bij hem werkte.
De klokken van Van Aerschodt munten uit door fraai en gedegen gietwerk. Zo is de Salvator die hij in 1844 voor Mechelen goot, een zeer geslaagde klok. Vooral de sonoriteit moet geroemd worden. Maar zijn klokkenspelen kunnen de toets der muzikale kritiek niet doorstaan. Hij goot onder andere in 1872 een spel voor de kathedraal van Den Bosch. In 1925 werd het hergoten, het lot dat de meeste Van Aerschodt-beiaarden heeft getroffen.
Andreas Lodewijk van Aerschodt stierf in 1888 te Leuven. De voorafgaande tien jaren had hij soms klokken gegoten samen met zijn in 1851 geboren zoon Andreas Lodewijk Karel die op klokken als Carolus dan wel A.L.C. verschijnt. Na de dood van zijn vader zette deze nog even het bedrijf voort. Dat hield definitief op toen Carolus in 1897 stierf, nauwelijks 46 jaar oud.
bronnen:
Paul Felix Vernimmen, De klokkengieters Van Aerschodt. In: Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, deel 22, 1982, p.57-76.
Paul Felix Vernimmen, Les Van Aerschodt, fondeurs de cloches à Louvain (Leuven, 1982).
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.50.

Andreas Lodewijk Karel van Aerschodt
Zoon van Andreas Lodewijk Jan van Aerschodt. Zie aldaar.

Severinus van Aerschodt
Severinus van Aerschodt werd in 1819 te Leuven geboren als zoon van Thomas van Aerschodt (1769-1831) en Anna Maximiliana van den Gheyn (1792-1875). Thomas was geen klokkengieter. Anna was de dochter van Andreas Lodewijk van den Gheyn (1758-1833), de laatste klokkengieter van die naam.
Hij volgde lessen aan de Academie voor Schone Kunsten te Leuven. Vervolgens vertrok hij naar Parijs om aldaar bij een beeldhouwer te werken. Ook exposeerde hij. Door de troebelen in 1848 moest hij naar Leuven terugkeren. Rond die tijd werkte hij ook samen met zijn broer Andreas Lodewijk. Maar in 1850 stichtte hij te Leuven een eigen klokkengieterij waar de eerste gieting in 1851 plaatsvond. Hij ging toen een samenwerkingsverband aan met zijn vriend de beeldhouwer Felix van Espen. Deze stierf echter in 1857.
Evenals zijn broer André heeft ook Severinus meerdere beiaarden gemaakt, zelfs in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Het waren ongetwijfeld prachtig gegoten, sonoor klinkende klokken maar met de toonzuiverheid was van alles mis.
Severinus van Aerschodt stierf in 1885. De kinderen waren toen nog te jong om de gieterij te leiden. Vandaar dat dit door hun voogd Felicien Bachmann gedaan werd. De gieterij heette toen Fonderie Séverin van Aerschodt. Onder die naam zijn ook nog enkele beiaarden gegoten.
bronnen:
Paul Felix Vernimmen, De klokkengieters Van Aerschodt. In: Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, deel 22, 1982, p.57-76.
Paul Felix Vernimmen, Les Van Aerschodt, fondeurs de cloches à Louvain (Leuven, 1982).
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.50.

Dominique van Aerschodt
Dominique van Aerschodt werd in 1822 te Leuven geboren als zoon van Thomas van Aerschodt (1769-1831) en Anna Maximiliana van den Gheyn (1792-1875). Thomas was geen klokkengieter. Anna was de dochter van Andreas Lodewijk van den Gheyn (1758-1833), de laatste klokkengieter van die naam.
Hij schijnt in 1857 de intentie te hebben gehad om zich te Leuven als klokkengieter te vestigen. Er zijn echter geen klokken van hem bekend. Wel zou hij betrokken zijn geweest bij de opleiding tot klokkengieter van Constant Sergeys (1855-1935), zoon van zijn zuster Reine Berbe van Aerschodt die gehuwd was met Pierre Sergeys.
bronnen:
Paul Felix Vernimmen, De klokkengieters Van Aerschodt. In: Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, deel 22, 1982, p.57-76.
Paul Felix Vernimmen, Les Van Aerschodt, fondeurs de cloches à Louvain (Leuven, 1982).
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.55.

Alphons van Aerschodt
Alphons van Aerschodt werd in 1869 te Leuven geboren als zoon van Severinus van Aerschodt. Ofschoon opgeleid als mijningenieur berichtte hij in een rondzendbrief van 1891 dat hij de directie van het bedrijf van zijn vader op zich had genomen. Maar het zou van korte duur zijn want al spoedig liet hij de gieterij aan zijn jongere broer Felix. Hijzelf bleef in het gieterijwezen, doch niet langer op het terrein van klokken.
bronnen:
Paul Felix Vernimmen, De klokkengieters Van Aerschodt. In: Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, deel 22, 1982, p.57-76.
Paul Felix Vernimmen, Les Van Aerschodt, fondeurs de cloches à Louvain (Leuven, 1982).
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.55-56.

Felix van Aerschodt
Felix van Aerschodt werd in 1870 te Leuven geboren als zoon van Severinus van Aerschodt. Evenals zijn vader kreeg ook hij een opleiding als beeldhouwer. Als zodanig stichtte hij meerdere beeldengieterijen. Ook hield hij zich met handelsondernemingen bezig, ja zelfs met een bioscoop. Klokken gieten was echter zijn hoofdberoep. In 1898 nam dan ook de gieterij van zijn vader over, nadat die eerst een aantal jaren door zijn oudere broer Alphons was geleid. Als zodanig goot hij meerdere beiaarden, klankrijk maar beroerd van toon, zoals alle beiaarden van de Van Aerschodts.
Nadat Felix van Aerschodt tijdens de eerste wereldoorlog in 1914 door de Duitsers gegijzeld was geweest, vluchtte hij met zijn gezin naar Engeland waar hij in Londen directeur werd van een gieterij en munitiefabriek. Na de oorlog teruggekeerd in Leuven bleek de Leuvense gieterij vernietigd, tezamen met de inrichting. In 1920 volgde de herbouw. In 1926 werd op initiatief van de Mechelse stadsbeiaardier Jef Denijn een samenwerkingsovereenkomst getekend tussen de Belgische gieters Felix van Aerschodt te Leuven, Marcel Michiels te Doornik, Omer Michaux te Leuven en Constant Sergeys te Chênée nabij Luik teneinde in Mechelen een gemeenschappelijke klokkengieterij te vestigen. De opzet was hiermee de groeiende dominantie van de Engelse gieters te keren. Maar de realisatie mislukte. Wel was er gedurende enkele jaren een compagnonschap tussen Van Aerschodt en Michiels.
Felix van Aerschodt stierf in 1943 te Leuven en was daarmee de laatste gieter met de naam Van Aerschodt geweest.
bronnen:
Paul Felix Vernimmen, De klokkengieters Van Aerschodt. In: Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, deel 22, 1982, p.57-76.
Paul Felix Vernimmen, Les Van Aerschodt, fondeurs de cloches à Louvain (Leuven, 1982).
Stad met Klank. Vijf eeuwen klokken en klokkengieters te Leuven. Tentoonstelling 16 juni – 3 september 1990, p.56.

Albertus
Te Loppersum Gr. hangt een klok die Albertus in 1397 gegoten heeft. Over hem is verder niets bekend.

Johannes van Alftere
Klok van 1496 te Grevenbricht in Limburg. Klokken van hem vindt men in Duitsland tussen 1473 en 1517. Zie ook Jan van Alstere. Mogelijk is dat de juiste naam. Men kan wellicht een lange s voor een f hebben aangezien.
bron:
Karl Walter, Glockenkunde (Regensburg & Rom, 1913), p.793

Cornelis van Ammelroy
De moeder van Cornelis van Ammelroy was Aeltgen Hendrixd. de Borch. Waarschijnlijk is Cornelis dus een kleinzoon van de Utrechtse klokkengieter Hendrick de Borch de Oudere. Cornelis was in oorsprong een Utrechts klokkengieter maar zeker niet zijn leven lang. In 1599 werd hij namelijk stadsklokken- en geschutgieter van Amsterdam en werd daarmee de eerste officiële stadsgieter in een lange reeks. Aldaar overleed hij in 1606. Zijn dochter Cornelia huwde met de Utrechtse gieter Eppe van der Arck.
Klokken van hem vindt men in 1569 en vervolgens uit de periode 1597 tot 1606. De meeste klokken goot hij derhalve in Amsterdam. Hij was een productief klokkengieter. Ook goot hij geschut. In 1605 goot hij samen met Peter Conicnk een klok voor Willemstad N.B.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Anthonius Henrixz.
Zie Anthonius de Borch.

Eppe van der Arck
Blijkens zijn huwelijksakte van 1626 te Utrecht was Eppe van der Arck afkomstig uit Groningen. Ofschoon het absolute bewijs ontbreekt, was zijn vrouw Cornelia van Ammelroy waarschijnlijk verwant met Hendrick de Borch de Oudere. De moeder van haar vader Cornelis was namelijk een zekere Aeltgen Hendrixd. de Borch.
Het lijkt erop dat Van der Arck zich in de jaren twintig te Utrecht heeft gevestigd. Hij sloot daar een compagnonschap met Wouter Both. Beiden hielden zich ook met geschutgieten bezig.
Na een vergeefse poging te hebben gedaan om de opvolger te worden van de in 1634 overleden Claes Sickmans, klokken- en geschutgieter te Groningen, bleek in 1646 dat hij naar het buitenland was vertrokken en met name wellicht naar Emden.
Eppe van der Arck stierf waarschijnlijk omstreeks 1653.
bron:
C.N.Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten. In: Klokken en Klokkengieters (Culemborg, 1963), p.159-311.

Arent
Een klokkengieter van die naam is in 1420 te Zwolle gesignaleerd.

Jan van Asten
De oudste klok van Jan van Asten dateert uit 1435 en hangt nog altijd in Soerendonk. Van Asten werkte toen in Den Bosch bij klokkengieter Jan van Hyntham. Toch werd hij diens opvolger niet, want niet veel later verschijnt hij in Venlo om samen te werken met de aldaar gevestigde klokkengieters, in het bijzonder met Jan van Venlo de Oudere.
Klokken van Jan van Asten zijn bekend uit de periode 1435 tot 1451. Meerdere zijn bewaard gebleven. Na laatstgenoemd jaar lijkt hij als klokkengieter niet meer actief te zijn geweest. Hij woont dan in Asten waar hij ook vandaan kwam. Het laatste wat wij van hem vernemen dateert uit 1474 toen hij in een officieel document clockmeester werd genoemd.
Toen Jan van Asten in 1447 voor zijn geboortedorp een klok goot, noemde hij zich Jan die Smet vander Diesdunc. Smet, ook wel geschreven als Smets, Smeets enz., was zijn familienaam. Met de toevoeging vander Diesdunc duidde hij aan dat hij van de Diesdonk kwam alwaar hij bezittingen had. Maar ook noemde hij zich wel eens Jan die Smet Verbeeck om aan te geven dat hij op de Beek eveneens goederen had. Zoals gezegd, buiten Asten noemde Jan die Smet zich Jan van Asten waarbij de Smet zelden werd toegevoegd. Zie ook Jan van Venlo de Oudere.
bron:
André Lehr, Jan die Smet vander Diesdunc. In: Berichten uit het Nationaal Beiaardmuseum, no.30, augustus 2001, p.3-5.

André Aubertin
Zie: Lotharingse klokkengieters in het vroeg-17de eeuwse Nederland.